Uitgelicht

Inkuilen - de basis

Iedere veehouder weet; een goede kuil of bult is dé basis voor een goed rantsoen. Maar hoe zorg je ervoor dat gras of mais het beste ingekuild kan worden? En wat heb je daarvoor nodig?
Lees verder hoe jij de beste kwaliteit ruwvoer zelf kunt creëren!

Inkuilmanagement
Koeien aan voerhek - VisscherHolland

Een goede kuilbult is essentieel voor veehouders die willen beschikken over hoogwaardig ruwvoer. Of het nu gaat om gras inkuilen of maïs inkuilen, een juiste aanpak zorgt voor betere voerkwaliteit, hogere voederwaarde en minder voerverlies. Hier lees je hoe je stap voor stap het inkuilproces optimaal uitvoert.

Wat is inkuilen?

Inkuilen is het oogsten van gras of maïs door deze te maaien, te rapen en op een bult te verzamelen zodat het kan fermenteren. De maïs of gras wordt laagjesgewijs op de bult verzameld en wordt na iedere laag stevig aangereden met bijvoorbeeld een tractor of shovel, zodat er zo min mogelijk zuurstof zich tussen de lagen bevindt. Wanneer de laatste laagjes gras of maïs zijn verzameld en de bult is aangereden, wordt de bult zuurstofdicht afgedekt met onderfolie en landbouwplastic. Zo kan de gras- of maisbult fermenteren en wordt het voer geconserveerd, zodat het op een later moment gevoerd kan worden. Na enkele maanden hebben de melkzuurbacteriën hun werk gedaan en hebben zij de suikers uit het voer omgezet in melkzuur, wat zorgt voor een smakelijke kuil met een hoge voedingswaarde. En met dit hoogwaardige ruwvoer produceert rundvee dan weer hoge kwaliteit melk!
 

Oké, maar waar moet ik op letten bij het inkuilen?

Bij het inkuilen zijn vooral het juiste maaistadium, de juiste maaihoogte, de graskwaliteit en de weersomstandigheden van belang. Een eerste snede zal bijvoorbeeld meer suikers bevatten en zo een andere kwaliteit hebben dan een najaarssnede (met nattere omstandigheden). Iedere veehouder heeft dan ook weer zijn eigen voorkeur over het perfecte maaimoment.
Voor een graskuil raden we aan om een moment te kiezen waarbij het drogestofgehalte tussen de 30- 38% is. Hierbij is er genoeg vocht aanwezig en kunnen de melkzuurbacteriën nuttig en snel hun werk doen. Zo ontstaat er een snelle pH-daling, waardoor er een stabiele en smakelijke kuil ontstaat en het maximale aan voedingsstoffen bewaard blijft.
Voor een maïskuil adviseren we om te oogsten bij een drogestofgehalte van 32-36% voor de beste zetmeelbenutting.

Heb je een ideaal maai- en oogstmoment gekozen? Dan is het belangrijk om te zorgen dat de oogst zo snel mogelijk binnen wordt gehaald, er schoon gewerkt wordt bij het binnenhalen, de kuil stevig wordt aangereden en de kuil goed zuurstofdicht wordt gemaakt met sterk plastic. Meestal wordt er daarna zand, banden of zandslurven op de bult gedaan om een goede 'druk' op het landbouwplastic te houden zodat deze bestand is tegen de weersomstandigheden én het onderfolie goed de kans krijgt om zich aan de bult vast te zuigen. Als het onderfolie namelijk goed aan de bult vastgezogen is, betekent dit er dat er zo min mogelijk zuurstof bij het voer is gekomen en dat de melkzuurbacteriën optimaal hun werk kunnen doen. Zo kan de kuil goed fermenteren. Wanneer dit proces goed verloopt, blijft de voedingswaarde behouden en ontstaat er smakelijk kuilvoer. Slecht inkuilen kan leiden tot broei, schimmelvorming en voedingsverliezen, wat directe gevolgen heeft voor diergezondheid én melkproductie.

 

Hoe bouw ik mijn kuil dan het beste op?

Hoe je een kuil het beste opbouwt verschil per methode. 
Maak je een bult op het erf, zonder wanden? Dan is een stevige en schone ondergrond -met zo min mogelijk zand- belangrijk om mee te beginnen. Vervolgens rijd je de kuil/maïs (met eventueel een inkuilmiddel) erover en maak je de kuilbult in lagen op. Vervolgens breng je het onderfolie over de bult aan door deze direct op het voer uit te rollen. Let er hierbij op dat je onderfolie breed genoeg is om de gehele bult mee te bedekken en vast te kunnen leggen. Het onderfolie zal zich langzaamaan vastzuigen aan de kuil en helpt om de kuil luchtdicht af te sluiten. Daarna kan een landbouwfolie naar keuze op de bult worden aangebracht en uitgerold. Ook hierbij geldt dat het kuilplastic breed genoeg moet zijn om vastgelegd te kunnen worden aan de zijkanten van de bult, omdat regenwater of ongedierte anders alsnog kans heeft om zich in de kuilbult te nestelen. Zit het plastic strak erover? Dan kun je de bult zowel bovenop als rondom vastleggen met kuilkleden, banden, zand of zandslurven. Let hierbij op dat je niet teveel zand aan de zijkant van de bult plaatst. Landbouwplastic is zeer sterk en rekbaar, maar bij grote hoeveelheden zand is er risico op scheuren. 

Kuil je in tussen sleufsilowanden? Ook dan begin je met een schone ondergrond. Daarnaast is het gebruik van wandfolie erg belangrijk om te voorkomen dat er regenwater tussen de kuil en de wanden in sijpelt. Je begint dan ook met het plaatsen van het wandfolie en hangt deze ruim over de wanden van de silo heen naar buiten. Vervolgens rijd je de kuil/maïs (met eventueel een inkuilmiddel) op de plek en maak je de kuilbult in lagen op. Vervolgens breng je het onderfolie strak over de bult aan en rolt deze uit tot aan de sleufsilowanden (maar niet eroverheen). Daarna vouw je het wandfolie over het onderfolie heen zodat er een regenwaterbarrière ontstaat. Vervolgens breng je hierover de laag landbouwplastic aan en laat je deze lagen tot over de wanden van de sleufsilo lopen. Tenslotte breng je de laatste laag aan, bijvoorbeeld kuilkleden, banden, zand of zandslurven.

Maak je een lasagnekuil? Dan volg je dezelfde basis als bij regulier inkuilen tussen sleufsilowanden, alleen kuil je nu alles 'vlak' in en maak je geen bult. Heb je het dan toe aan de tweede snede? Dan maak je het plastic weer los en 'vouw' je het open. Vervolgens kuil je de tweede snede in en sluit je de bult daarna weer af met hetzelfde plastic. Hierbij is het wel belangrijk om te kiezen voor een soort plastic die een hoge trekweerstand heeft en bestand is tegen zwaardere omstandigheden. Houd vervolgens de bult gesloten met behulp van slurven, kleden of een EasyTube

Hoe je ook inkuilt, bedenk dat de juiste keuze landbouwplastic bijdraagt aan de voederwaarde en kwaliteit van jouw ruwvoer.
 

Maar plastic is toch gewoon plastic?

Ja én nee; niet iedere soort plastic is hetzelfde. Landbouwplastic is allemaal specifiek ontwikkeld om kuilbulten goed en efficiënt mee af te kunnen dekken, maar ook daar zit toch weer verschil in. Zo is er basisfolie zoals de MegaLeen 150 die 'gewoon goed' is en een goede prijs/kwaliteitverhouding heeft. Maar sommige soorten plastic zijn dikker of zwaarder dan andere soorten en zijn bijvoorbeeld geschikt voor zwaardere weersomstandigheden (zoals veel wind) of zijn geschikt voor kuilen waar wat meer prikkels of stoppels inzitten (bijvoorbeeld takken), zoals de MegaLeen 200. 

Daarnaast heeft ieder folie weer andere eigenschappen, zoals trekweerstand, aantal lagen of extra toevoegingen.
Zo is er landbouwplastic met UV-stabilisatoren (om ze bestand te maken tegen de schadelijke effecten van zonlicht) en zijn er folies in diverse breedtes of lengtes. Daarnaast zijn er ook diverse kleuren landbouwplastic; de kleur kan namelijk invloed hebben op de temperatuur en de condities onder de folie. Wit folie zoals Hermetix of VH-Plus weerkaatst bijvoorbeeld meer zonlicht, waardoor de kuil koeler blijft, terwijl zwart folie meer warmte absorbeert (wat beter is bij koude of winderige omstandigheden). Ook is er folie met een extra hoge trekkracht en rek zoals MegaPlastPower, en is er extreem zuurstofdicht folie (MegaOne) wat de kuil in één keer zuurstofdicht kan afdichten zonder het gebruik van onderfolie.
Wil je wel onderfolie, maar dit wel liever in één keer op de bult leggen? Dan is er ook MegaCombi, waarbij zowel het onderfolie als het landbouwplastic op één rol zitten en tegelijk uit te vouwen zijn. 

Voor iedere voorkeur en omstandigheden is er dan ook een soort landbouwfolie beschikbaar. Je vindt ons assortiment landbouwfolie dan ook hier.
 

Tips

  • Een inkuilmiddel zoals Advance - wat EFSA-geregistreerde melkzuurbacteriën bevat- zorgt volgens onderzoek van Schothorst Feed Research* voor een nóg snellere pH-daling wat ertoe leidt dat er tot wel 10% meer ruwvoer overblijft. Daarnaast blijkt bij gebruik van Advance het eiwitgehalte in de melk toe te nemen. Een inkuilmiddel is dan ook een aanrader wanneer je je kuil nog verder wil optimaliseren.

     

  • Zorg dat de machines waarmee je inkuilt schoon zijn en zorg voor een schoon erf voordat je begint. Insleep van zand, vervuilde grond of mest heeft direct invloed op je voerkwaliteit. 

Der Pansen

Im Pansen befinden sich grob gesagt drei Schichten. In der untersten Schicht befindet sich der Pansensaft. Auf dieser Flüssigkeit schwimmt eine dicke Schicht strukturreiches Grundfutter. Im Bereich über dieser Schicht befinden sich Pansengase. Je nachdem, welche Struktur die Grassilage hat, gelangt ein geschluckter Futterbrocken entweder in die mittlere feste Schicht des Pansens oder in die untere flüssige Schicht. In der mittleren Schicht sind Bakterien aktiv, die die Pflanzenzellen in kleine Partikel zersetzen. Diese Partikel lösen sich auf oder sinken in die darunter befindliche Flüssigkeit ab. In der untersten Schicht werden die im Pansen abbaubaren Bestandteile (Kohlenhydrate und Proteine) abgebaut.

Die Rolle der Bakterien

Pansenbakterien nutzen die Proteine und die Energie der Grassilage, um zu wachsen und sich zu vermehren. Ein Teil der pflanzlichen Proteine wird so in Bakterienzellen umgewandelt. Dies ist das sogenannte mikrobielle Protein.

Zwei Drittel der Proteinaufnahme der Kuh stammen aus diesem mikrobiellen Protein. Bei diesem Prozess ist es sehr wichtig, dass Proteine und Energie im richtigen Verhältnis verfügbar sind. Dies wird in der Futtermittelanalytik als „ruminale Proteinbilanz“ der Ration bezeichnet.

Die Pansenbakterien bauen die energiereichen Stoffe ab. Dabei entstehen Propionsäure, Buttersäure und Essigsäure. Die sogenannten flüchtigen Fettsäuren dienen als Energiequelle für die Kuh und als Baustoffe für die Milch. Erstaunlicherweise lebt die Kuh daher eigentlich nicht vom Gras, sondern von Bakterien und deren Nebenprodukten.

NDF und Futteraufnahme

Die Verdaulichkeit der Pflanze bestimmt zu einem großen Teil die Futteraufnahme der Kuh. Grundfutter gelangt in den Pansen und die Pansenbakterien haben nur eine gewisse Zeit, um zum Zellinhalt des Futters vorzudringen. In der Zelle befinden sich unter anderem Zucker, Proteine, Fette und Mineralstoffe.

Aus dem Zellinhalt, und teilweise aus der Zellwand, wird die Milch gebildet. Daher ist es wichtig, dass die Pansenbakterien möglichst schnell zum Zellinhalt gelangen können. Einmal im Zellinhalt, nehmen sie die Inhaltsstoffe auf und wandeln diese um. Je besser die Verdaulichkeit der Zellwand ist, desto mehr Grundfutter kann aufgenommen werden.

Die NDF-Verdaulichkeit ist dabei ein guter Gradmesser – einerseits für die schnelle Bereitstellung des Zellinhalts, andererseits aber auch für den Anteil der Zellwände, der zum Wiederkäuen genutzt wird. Dies ist wichtig für die Pufferung des Pansens und für die Stabilisierung des pH-Werts im Pansen.
 

Die Rolle der Enzyme 

Enzyme sind essenziell für die Verdauung von Futter, vor allem für die Verdauung der Zellwände. Pansenbakterien produzieren selbst Enzyme, um die Zellwand aufzubrechen,  aber es ist möglich, Enzyme hinzuzufügen. Auf diese Weise sparen die Pansenbakterien Zeit, um Enzyme zu produzieren. Das Futter ist nämlich nur eine gewisse Zeit über im Pansen verfügbar. Diese Zeit können die Pansenbakterien dann optimal nutzen, um zum Zellinhalt vorzudringen.

Pansenazidose

Faktoren, die das „Arbeitsklima“ für die Bakterien beeinflussen, sind der Säuregehalt (pH-Wert) und die Strukturmenge. Wenn etwa durch eine große Zuckerzufuhr viele Fettsäuren gebildet werden, versauert der Pansen. Zuckerreiches und strukturarmes Grundfutter hat den Nachteil, dass die Kuh weniger wiederkäut. Durch die geringe Wiederkauaktivität gelangt weniger Speichel in den Pansen. Speichel sorgt für eine Neutralisierung des sauren Pansensafts. Durch die große Säureproduktion und die geringe Pufferung durch Speichel sinkt der pH-Wert schnell und die Bakterien stellen ihre Arbeit ein. Der Verdauungsprozess steht still. Dies wird als Pansenazidose bezeichnet.

Struktur

Strukturreiches Futter stimuliert die Pansenwand. Dadurch zieht sie sich regelmäßig zusammen und die Prozesse im Pansen werden angeregt. Zudem ist strukturreiches Futter – außer für das Wiederkäuen – nötig, um die feste, faserartige Schicht im Pansen durchlässig zu halten. Die Gase, die im untersten Teil des Pansens gebildet werden, können dann entweichen. Durch strukturarme Futtermittel verändert sich diese feste Schicht in eine papierartige Masse. Die Pansengase sammeln sich darunter an, wodurch sogar die Speiseröhre verschlossen werden kann.

Grassilage bleibt einige Zeit im Pansen und wandert dann über den Blätter- und den Labmagen in den Dünndarm. Im Dünndarm wird die Verdauung unter dem Einfluss von Stoffen (wie Enzymen), die von Pankreas, Galle und Darmwand ausgeschieden werden, fortgesetzt. Insbesondere der pansengeschützte Teil der Futtermittel – der Teil, der nicht im Pansen abgebaut wurde – wird im Darm verdaut. Sobald die Bestandteile ausreichend verdaut sind, werden sie ins Blut aufgenommen.

Mis niks, Meld je aan voor onze ruwvoerupdate