Uitgelicht

Uitdaging: Van zaaien tot benutting aan het voerhek

Gericht werken aan voerefficiëntie begint met de vraag: welk ruwvoer heeft jouw melkvee nodig? Welk maïsras past bij je rantsoen? En wat vraagt jouw grasland om voldoende benutbaar eiwit te leveren? En als je die gewenste voederwaarde eenmaal hebt; hoe houd je deze dan vast in de kuil? Met deze drie aandachtspunten stuur je daar gericht op.

Inkuilmanagement
Zaaien en teelt
Gras- & maiszaden
Landbouwfolies
Inkuilmiddelen
Koe aan het voerhek met voer - VisscherHolland

Stap 1. Kies mais die past bij de energiebehoefte

Mais is een belangrijke energiebron in het rantsoen. Een flink deel van die energie komt uit zetmeel in de kolf, maar een hoog zetmeelgehalte zegt niet alles. Bij snijmais tellen ook de opbrengst en de verteerbaarheid van stengel en blad mee. Bepaal daarom eerst hoe je de mais wilt gebruiken: oogst je de hele plant als snijmais, MKS, CCM of alleen de korrels als korrelmais? Vergelijk rassen daarna op zetmeel, totale voederwaarde en energieopbrengst: hoeveel benutbare energie levert een hectare op?

Kies vervolgens een ras dat past bij jouw percelen en goed kan afrijpen onder jouw omstandigheden. Mais op nattere percelen op kleigrond heeft immers een ander groeipatroon dan mais op hoger gelegen zandgronden. Vergelijk hiervoor onafhankelijke rassenproeven binnen dezelfde vroegheidsgroep (FAO).

Daarna bepaalt het oogstmoment hoeveel je van die kwaliteit benut. Oogst je te nat, dan kunnen voedingsstoffen verloren gaan met het perssap. Oogst je te droog, dan is de mais moeilijker vast te rijden en blijft er meer lucht achter. Streef bij snijmais naar ongeveer 32–38% droge stof van de hele plant. Rond dit niveau combineer je een goede energieopbrengst met mais die nog goed te verdichten en te conserveren is.

Praktijktip

Begin met het bepalen van het aandeel snijmais in je totale rantsoen. Heb je een hoog aandeel? Kies dan een maisras met een hoge celwandverteerbaarheid. Heb je een lager aandeel snijmais? Kies dan voor een maissoort met een hoger zetmeelaandeel.

Stap 2. Benutbare eiwitten uit grasland

De basis voor benutbare eiwitten uit gras ligt in een grassoort die past bij de bodem, het gebruik, resistentie, standvastigheid en de gewenste opbrengst. Een perceel dat je vooral maait, vraagt andere bewerking en eigenschappen dan een perceel dat intensief wordt beweid. Ook kruiden en klavers zorgen voor een andere voederwaarde dan alleen gras. De keuze van graszaad vormt dan ook een belangrijk vertrekpunt.

Vervolgens bepalen bemesting, groeiomstandigheden en het maaimoment wat je daadwerkelijk oogst. Kijk hierbij naar kwantiteit én kwaliteit. Naarmate gras ouder wordt, neemt het aandeel stengel en vezels toe en daalt de verteerbaarheid. Een zwaardere snede kan dus meer kilo’s opleveren, maar minder voederwaarde per kilo droge stof bevatten.

Naast eiwit tellen ook suiker, verteerbaarheid, structuur en drogestofopbrengst mee. Vooral de verhouding tussen suiker en eiwit verdient aandacht. Melkzuurbacteriën gebruiken suikers om de kuil te verzuren. Eiwitrijk gras met weinig suiker is vaak lastiger te conserveren, omdat eiwit de verzuring buffert.
Meer ruw eiwit betekent bovendien niet automatisch meer melk. Een hoog eiwitgehalte kan samengaan met een bescheiden hoeveelheid darmverteerbaar eiwit (DVE) en dus een andere voedingswaarde hebben dan je verwacht. Kijk daarom verder dan alleen het percentage ruw eiwit en zorg dat eiwit en beschikbare energie op elkaar aansluiten.

Bepaal vooraf welke kwaliteit je wilt oogsten en stem mengselkeuze, bemesting en maaibeheer daarop af. Kijk ook eens naar de mogelijkheden van doorzaaien. Bij holle plekken in je perceel levert doorzaaien namelijk vaak meer op dan dat het kost. Je brengt namelijk direct goed benutbare grassen in je grasland.

Praktijktip

Een versgrasmonster kan helpen om de daadwerkelijke voederwaarde te bepalen en het moment van bemesten, maaien of doorzaaien te kiezen. Beoordeel na de oogst zowel de gehalten als de voederwaardeopbrengst per hectare voor een compleet beeld.

3. Behoud wat je hebt geoogst

Energie en eiwit die op het land zijn gewonnen, wil je behouden tot aan het voerhek. Na het maaien blijft het gewas aanvankelijk ademen en suikers verbruiken. Houd de veldperiode daarom zo kort mogelijk en zorg voor een passend drogestofgehalte: 30-40% voor graskuil en 32–38% voor maiskuil. Zorg daarnaast voor schone machines in het veld en op de bult.

Een goede conservering draait om het beperken van zuurstof en een snelle verzuring. Zodra de kuil zuurstofarm is, kunnen melkzuurbacteriën suikers omzetten in melkzuur en daalt de pH-waarde. Niet ieder gewas conserveert echter even gemakkelijk. Erg nat, droog of suikerarm gras of gras met klavers en kruiden hebben ieder hun eigen aandachtspunten bij het inkuilen. Ook vraagt het oogsten van een hoog eiwitgehalte om een aanpak die de eiwitkwaliteit tijdens het inkuilen beschermt. Een passend inkuilmiddel kan hierbij ondersteunen. Wil je vooral de verzuring bevorderen of broei na openen beperken? Sommige middelen bevorderen melkzuurvorming; andere remmen gisten en schimmels, net zoals een kuilbeschermer die actief Clostridiën aanpakt. Kies daarom op basis van het gewas, de omstandigheden en verdiep je in de aangetoonde werking.

Ga je de bult op? Verdeel dan het gewas in dunne lagen, rijd zorgvuldig vast en dek direct af. Kies landbouwfolie op afsluitende en zuurstofdichte eigenschappen. Ook scheurvastheid en trekkracht maken verschil, vooral bij wind. Na openen blijft kuilmanagement belangrijk. Houd minimaal 1,5 m aan voersnelheid aan en houd het snijvlak strak. Zo beperk je de tijd waarin zuurstof broei en voederwaardeverlies kan veroorzaken.

Praktijktip

De meeste inkuilmiddelen bevatten geen enzymen, terwijl enzymen helpen de celwanden voor te weken. Door een inkuilmiddel met enzymen te gebruiken kunnen pensbacteriën eerder bij de celinhoud van het ruwvoer komen en worden voedingsstoffen beter én sneller opgenomen. 

Optimale voerefficiëntie zit in de samenwerking

Voerefficiëntie zit dus niet alleen in de losse aspecten; het gaat om de samenwerking tussen zaaien, oogsten én behouden. Gebruik daarom kuilanalyses en voerresultaten om je graskuil in samenhang met mais en de overige voedermiddelen te beoordelen en je keuzes voor het volgende seizoen te onderbouwen. Een passend maisras, een doordacht grasmengsel en zorgvuldige conservering vullen elkaar zo naadloos aan tot hoogwaardig ruwvoer waarvan energie en eiwit tot hun recht komen. En dát is optimale voerefficiëntie!

Mis niks, meld je aan voor onze Ruwvoerupdate